herfst.
Uitgewaaid en natgeregend.
Haarpiekjes plakken tegen mijn hoofd. Een koude windvlaag koelt ze af.
Jaagt dan langs de kraag van m’n jas binnen. Hoger dichtplooien en de bovenste knop ook maar dicht dan.
Een gelig schijnsel vanachter het glas in de voordeur.
De deur open en zij in het tegenlicht.
Rust daalt neer en lichtjes ontsteken in mijn ogen.
Een uitstekend gevoel dat langs mijn lippen haar kaak beroert.
De deur achter me dicht en de gang vooruit, zij me achterna.
Samen de zetel in. Op het grootste stuk, languit.
Onze nekhaartjes met daartussen hoogstens wat warme lucht. Enkele meters verderop opgestegen uit een winterstoof.
Een dekentje tot net onder de kin.
Armen verstrengeld en de vingers gevoelig in elkaar vervlochten.
Herfst.