als vermoord.
Gisterenavond trok ik er weer met het mokkameisje op uit. Dit keer niet omdat het ondertussen al een gewoonte is. Ook om de vakantie te vieren. Samen ‘t Stad door. Ik op het zadel en zij bovenop een kussentje erachter. De lichtjes van de Schelde flitsen voorbij. Kerstmannen kijken als betrapt van aan de gevels naar beneden. Met haar ogen dicht en de armen om me heen stuurt ze me als een gevoelige gps naar onze eindbestemming voor vanavond. Een statig herenhuis in de stationsbuurt waarrond langs alle kanten open ruimte gaapt. Ze belt aan en meteen gaat de poort naast de voordeur zoemend omhoog. De fiets beland in een krakkemikkerig fietsenrekje waarin al een drietal gele exemplaren staan te blinken. Bovenaan de trap lonkt één gigantische lege etage. Betonmuren en ook het plafond en de vloer zijn kaal, koel beton. En toch is de ruimte gezellig. Niet in het minst door de heerlijke warmtevloed die er hangt. Dat is de reden waarom tussen de ruimte en de haltrap een dikke, glazen deur prijkt. Een statige klassieke bank, waar ongetwijfeld geschiedenis aan vastkleeft, staat voor de linkse muur. Die is witgekalkt en voorzien van een zwarte schildering zoals ik die alleen nog maar op de onderrug van het mokkameisje gezien heb. Het rode velours van de fauteuil lijkt mee deel van de roos die in zwart en rood op de muur uitgeschilderd is. Rechts in de hoek staat een jaren-50-tafeltje en daarboven hangt uitgekiend een modern flatscreen, alsof het tafeltje er de drager van is. In realiteit is het enkel een witglazen vaas met drie bloedrode rozen die haar evenwicht zoekt op het fiftiesplateau. Allemaal schijn, maar wel érg schone schijn. Terwijl ik mijn ogen nog sta uit te kijken loopt het mokkameisje al naar de stapel donsdikke kussens die voor het scherm een eiland vormen. Met een duik wordt ze opgeslokt door de bruine zachtheid. Om snel weer met haar hoofd op te duiken. En ernaast twee eikenbruine ogen. Dit moet het meisje zijn waar ik al zoveel avonturen over had gehoord. “Het leukste meisje dat ze in 2007 nóg beter had leren kennen.” Ik wist al zowat alles over dit meisje, zonder dat ik haar ooit gezien had. Uiteraard had ik haar gezicht al in het fotoalbum van het mokkameisje zien opduiken. Maar op geen enkel plaatje waren haar ogen uitgekomen zoals hier in de schijn van de enorme kandelaar aan het plafond. “Aangename kennismaking” lukt me nog net. Maar mijn uitgestoken hand wordt al snel beantwoord met drie zachtklinkende zoenen. En het mokkameisje stond er al niet meer bij. Ze staart al dromerig naar de dvd’s die in kabbelende rijen de muur rechthouden. Terwijl ik me nog steeds afvraag waarom ik er zo stil bijsta. Als vermoord sta ik te staren in de fonkelende jaarringen die op haar netvlies projecteren. Het moeten de verhalen over haar forensische beroepsactiviteiten zijn die mijn beeld van haar misvormd hebben. Maar niet voor lang meer. Van dit meisje wil ik meer weten. Alles en nog wat. Niet uit de mond van anderen. Maar hier, van haar.