de wever.
Met krachtige bewegingen steekt hij het vorkje in het overvolle pakje friet. Staande. Niet in de verwarmde zaal die speciaal gebouwd werd om er de goddelijke frietjes binnen te spelen. Staande. Als om te bewijzen dat niet alleen hij, maar ook het grotere geheel nog vol glorie overeind staat. Tegelijk mijmeren tegen de vrouw naast hem. Waarschijnlijk over de afgelopen dagen. Afgelopen maanden. Een hele brok mens die gelukkig is dat een windwand hem scheidt van de koude winteravond. Het bakje belandt leeg in de vuilnisbak. Nog even in de toog een blik werpen. Maar daarna loopt hij samen met de vrouw de donkerte in. “Och, laat maar” murmelend. Waarschijnlijk op zoek naar een vette vis, na die niet in de toog teruggevonden te hebben…