Wat is het leuk. Voor haar was het steeds regelen, organiseren, smeken. Maar zij stelt zelf dingen voor. Haar kinderlijke enthousiasme en ontdekkingszucht zijn heerlijk. Mekaar leren kennen wordt zo plezierig. Minder dan met woorden, gebeurt het door beelden. Samen dingen doen. In plaats van eigenliefde, samenleven. Niet dat alles samen moet gebeuren. En dat er ongetwijfeld dingen zijn die zij wel en ik niet, of omgekeerd. Maar in het begin is het toch aftasten? Gisteren was het weer aan mij. Mekaar iets nieuws laten ontdekken. Niet in verre landen of met spectaculaire randen. Gewoon nieuw. Opdat verbazing en bewondering niet zouden verdwijnen. En steeds met elkaars ogen als bekend rustpunt. Fietsen via Berchem naar het Nachtegalenpark. Daar waar een verleden van bunkers te rusten ligt. Voor geborgenheid moeten we nu de mastodonten niet meer in. We lijken met zijn tweetjes ingekapseld. In één grote bel. Niet zo eentje die in alle kleuren glinstert tot ze uiteenspat. Wel een onzichtbare die wat tegenkanting kan verdragen. Wanneer we naast elkaar fietsen omsluit ze ons. Hand in hand. Feestelijke familie in het wit voor een kasteeltje. Bruidsfoto’s. Handengeklap. Bloemenpracht. Zonnezacht. Even toekijken. Dan elkaar aankijken. Hunkerende blikken. Eerst onrustig, vragend. Dan zeker, vanzelfsprekend. Niet spreken, wel fluisteren. Gedachten raken elkaar. Lippen raken elkaar. Het andere park in. Banken aan weerszijden. Verweerd. Jarige basten dragen het gebladerte dat ons toewuift. De zon filterend. Want het is nodig. Om geen overdosis te ondergaan. Af en toe de bel die zich tussen ons beiden sluit. Een ouder koppel komt uit de andere richting. Uiterlijk ouder. Hun kijken verraadt innerlijke jongheid. Van de ene bank naar de andere. De vrouw wrijft hier en daar over de rugleuning. Liefdevol, zoekend. Stilstaan. Haar hand knijpt even in zijn zij. Nu raakt hij ook de leuning aan. Een kus. En liefdevol de jongere generatie boompjes tegemoet. Wij verder over het grind. Zij kijkt me aan en we zijn zeker dat we hetzelfde denken. Hetzelfde doen. Recht naar de bank. Omkijken of het koppel weg is. Naar de rugleuning. Twee namen. Niet geschreven in inkt. Dat zou uitregenen of overschilderd worden. Wel gekerfd. Niet duidelijk. Niet veel. Iets dat op een hartje lijkt. En twee letters. Meer moet dat niet zijn. De verf is vers. Van net na de winter. Maar waar het liefdessymbool afbladdert, is geschiedenis geschreven. In het echte leven heb je immers geen laagje verf nodig. Het mag, en kan verfrissend zijn. Verouderen zal het toch. Het onderliggende is het enige dat blijft. Onze bel laat de bank los. Het pad verder af. Het verleden achterlatend. Nieuwe ontdekkingen tegemoet.